Innovatie Monitor 2022 – onderzoekleider Volberda wil publiekelijke ranking van bedrijven naar milieu-impact

0

Uit de Nederlandse Innovatie Monitor 2022 blijkt dat het aantal klimaatambitieuze bedrijven in Nederland voor het derde jaar op rij is gestegen. Daartegenover staat dat de intensief milieubelastende bedrijven langer de tijd nodig hebben om hun ecologische voetafdruk te minimaliseren, of zelfs geen ambities daartoe hebben. Die groep is juist belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelstellingen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat bedrijven vooral verduurzaming van het leefklimaat een topprioriteit vinden voor de welvaart, al zijn ze zelf veelal gericht op economische ontwikkelingsdoelstellingen. “Het is toch vrij schokkend te noemen dat een deel van de bedrijven die intensief belastend zijn voor het milieu geen ambitie hebben om hun ecologische voetafdruk te beperken”, aldus onderzoeksleider Henk Volberda. Hij bepleit een publiekelijke ranking van bedrijven met hun impact – negatief én positief – voor mens en milieu. “Mogelijk discutabel, maar kan wel transparantie bieden en de discussie – ook binnen boardrooms – aanzwengelen.”

Meest vervuilende bedrijven blijken minst ambitieus

Deze en andere bevindingen van de Nederlandse Innovatie Monitor 2022 worden gepresenteerd door het Amsterdam Centre for Business Innovation van de Amsterdam Business School, Universiteit van Amsterdam (UvA). De Nederlandse Innovatie Monitor is onder regie van Prof.dr. Henk Volberda uitgevoerd. Hij is als hoogleraar strategie & innovatie verbonden aan de UvA. SEO Economisch Onderzoek heeft de monitor uitgezet en het onderzoek verricht. In dit onderzoek beantwoorden bedrijven vragen over een scala van onderwerpen, zoals innovatie, ondernemingsklimaat, verduurzaming en organisatiekenmerken. De bevindingen zijn gestoeld op de antwoorden van ruim 700 senior-managers uit het Nederlandse bedrijfsleven. Het volledige onderzoek kan hier worden gedownload.

Het aandeel klimaatambitieuze bedrijven stijgt voor het derde jaar op rij
Het aandeel bedrijven dat ambieert om uiterlijk voor 2030 een verwaarloosbare ecologische voetafdruk te hebben is met vier procentpunt gestegen naar 59 procent, terwijl het percentage bedrijven dat mikt op 2050 gelijk blijft (22%). Vorig jaar nam de groep van meest klimaatambitieuze bedrijven ook al in omvang toe, destijds met zeven procentpunt. Ten opzichte van 2020 is het aandeel klimaatambitieuze bedrijven met een kleine 11 procentpunt toegenomen. Met een dergelijke stijgende lijn is dus een omslagpunt bereikt waarbij de meerderheid van de bedrijven ambitieuze klimaatdoelstellingen hebben (zie Figuur 1). Wel blijft de polarisatie groot: bedrijven willen ofwel voor 2050 een verwaarloosbare ecologische voetafdruk realiseren of hebben dit doel in zijn geheel niet. Klimaatambitieuze bedrijven verwachten een groter deel van hun voetafdruk te kunnen verkleinen met behulp van reeds bestaande technologieën, en zien minder belemmeringen op het gebied van concurrentierisico’s, de beschikbaarheid van kennis, personele middelen en ondersteunend overheidsbeleid.

De toename van het aandeel klimaatambitieuze bedrijven zet door. Bron: Nederlandse Innovatie Monitor 2020 – 2022, bewerking door SEO Economisch Onderzoek (2022).

Onderzoeksleider Henk Volberda: “de energie- en grondstoffencrisis alsmede toenemende druk vanuit de maatschappij en overheid op verduurzaming draagt bij aan dat bestaande bedrijven hun klimaatambities opschroeven. Ook biedt het toenemende mogelijkheden voor buitenlandse klimaatambitieuze bedrijven en voor startups om in te spelen op de duurzaamheidsgolf in Nederland. Dit onderzoek onderstreept dat een toenemend aantal bedrijven in Nederland op de goede weg is om de ecologische voetafdruk te beperken.”

“Het is toch vrij schokkend te noemen dat een deel van de bedrijven die intensief belastend zijn voor het milieu geen ecologische ambitie hebben”

Anderzijds heeft ongeveer 19 procent van de bedrijven tot na deze eeuw nodig voor de vrijwel volledige reductie van haar ecologische voetafdruk of zij hebben deze ambitie zelfs in haar geheel niet (zie Figuur 1). Dit is ruim 3% minder dan vorig jaar. Maar in deze groep zitten juist veel bedrijven die een relatief grote voetafdruk hebben, waardoor zij cruciaal zijn voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Professor Volberda: “De bedrijven die een grotere belasting voor het milieu vormen hebben een langere weg te gaan alvorens zij hun ecologische voetafdruk hebben gereduceerd tot een minimaal niveau. Met het oog op het behalen van de klimaatdoelstellingen is het dan ook van aanzienlijk belang dat juist zij versnellen. Een ranking van bedrijven met hun impact – negatief én positief – voor mens en milieu kan daarbij behulpzaam zijn. Een dergelijke ranking zoals de onderzoekscommissie onder leiding van Johan Remkes onlangs heeft voorgesteld bij het stikstofdossier werd als discutabel gezien, maar kan wel transparantie bieden en de discussie – ook binnen boardrooms – aanzwengelen.” Volberda vervolgt: “Het is toch vrij schokkend te noemen dat een deel van de bedrijven die intensief belastend zijn voor het milieu geen ambitie hebben om hun ecologische voetafdruk te beperken. Hun eigen winstgevendheid wordt daarbij als belangrijker ervaren dan de impact voor mens en milieu. Zonder adequate reactie schieten ze zichzelf daarmee ook in eigen voet op den duur, bijvoorbeeld doordat klanten hun oplossingen niet meer willen kopen of mensen er niet meer willen werken.”
Aan de betreffende groep van bedrijven is ook gevraagd naar de onderliggende motieven waarom ze niet streven naar het minimaliseren van de ecologische voetafdruk. Een deel van hen gaf aan dat het (vooralsnog) niet haalbaar is: om technologisch/operationele redenen, financieel of organisatorisch. Het gaat hier bijvoorbeeld om een autobedrijf dat in oldtimers handelt, een bedrijf in de lucht- en zeevracht of een bedrijf dat gebruikmaakt van chemische processen waarvoor vooralsnog geen schoner alternatief bestaat. Een ander deel gaf aan dat zij andere prioriteiten hebben of dat zij geen visie, strategie of geoperationaliseerde doelstellingen op dit gebied hebben. Ten slotte gaf een deel van de bedrijven aan geen actie te ondernemen, bijvoorbeeld omdat ze klaar zijn met de ‘klimaathype’, geen ‘voortrekkersrol’ willen innemen, het niet ‘opportuun’ achten voor het bedrijf, of zonder overheidsverplichting geen actie zullen ondernemen. Onderzoeksleider Henk Volberda: “het minimaliseren van de ecologische voetdruk wordt nog al eens gezien als iets wat ten koste gaat van de winstgevendheid. Een deel van de bedrijven vindt dat vooral een taak van de overheid. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat het minimaliseren van de ecologische voetafdruk ook een bron van concurrentievoordeel kan zijn voor bedrijven en
daarmee hun winstgevendheid kan versterken.”

Het bedrijfsleven draagt vooralsnog met name bij aan de economische ontwikkelingsdoelstellingen
De duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) waar bedrijven het vaakst substantieel aan bijdragen zijn economische ontwikkelingsdoelstellingen. De SDG’s ‘Waardig werk & economische groei’ en ‘Industrie, innovatie & infrastructuur’ zijn met achtereenvolgens 34% en 32% ongeveer twee keer zo vaak gekozen als de andere doelen (zie Figuur 2). Op de derde plaats volgt het aanpakken van klimaatverandering met 19%. Van de vermelde SDG’s zijn de ondervraagde bedrijven het minst gericht op het beschermen van oceanen en zeeën (3%), schoon water en sanitair (6%) alsmede ecosystemen, bossen en biodiversiteit (7%). Elk van deze drie laatstgenoemde SDG’s behoort tot het verduurzamen van het leefklimaat. Ook het thema gelijke kansen en eerlijk delen laat een wisselend beeld zien. Zo dragen veel bedrijven substantieel bij aan ‘Gezondheidszorg voor iedereen’ en ‘Kwaliteitsonderwijs’, maar wordt bijvoorbeeld ‘Gendergelijkheid’ door minder dan tien procent van de bedrijven als één van hun voorname doelen gekozen.

Henk Volberda vindt “het zorgelijk dat er voornamelijk aandacht is voor de meer economisch georiënteerde SDGs die in het verlengde liggen van de bestaande verdienmodellen van bedrijven. Bedrijven zouden zich juist kunnen onderscheiden door ook aandacht te besteden aan maatschappelijk, sociale en ecologische doelstellingen. In een tijdperk waarbij de negatieve impact van bedrijven op de maatschappij onder een vergrootglas ligt, is het essentieel dat bedrijven aantonen dat zij niet het probleem vormen, maar juist een belangrijk deel uitmaken van de oplossing. Het oplossen van de grote maatschappelijke uitdagingen kan niet alleen overgelaten worden aan overheden en NGO’s.”

Bedrijfsleven vindt echter dat verduurzaming van het leefklimaat meer prioriteit verdient
Tegelijkertijd vindt ongeveer de helft van de bedrijven dat de verduurzaming van het leefklimaat de komende jaren de hoogste prioriteit van de overheid en het bedrijfsleven verdient (zie Figuur 3). Versterken van het verdienvermogen en gelijke kansen en eerlijk delen worden ieder door een kwart van de respondenten als topprioriteit aangeduid. Henk Volberda licht toe: “De bevindingen laten een discrepantie zien tussen wat volgens bedrijven de topprioriteit heeft voor de collectieve brede welvaart en hun eigen economische ontwikkelingsdoelstellingen. Het gros van de bedrijven vindt verduurzaming van het leefklimaat topprioriteit voor het bevorderen van de welvaart, maar zelf zijn ze vooral bezig met economische doelstellingen.”

De helft van de respondenten ziet verduurzaming van het leefklimaat als de topprioriteit voor de bevordering van de brede welvaart. Bron: Nederlandse Innovatie Monitor 2022, bewerking door SEO Economisch Onderzoek (2022).
Noot: respondenten is gevraagd welk gebied de belangrijkste prioriteit vormt voor het bedrijfsleven en de overheid bij het bevorderen van brede welvaart de komende jaren (t/m 2030).

Een kwart wil met activiteiten naar het buitenland

Voorts komt uit de monitor naar voren dat het bedrijfsleven het Nederlandse ondernemingsklimaat een ruime voldoende (een 6,9) geeft, al zijn wetgeving, belastingklimaat en sociale samenhang aandachtspunten. Verder blijkt dat bijna een kwart van de Nederlandse bedrijven (23%) overweegt om activiteiten te verplaatsen naar het buitenland. De ondervraagde managers geven verder aan dat bijna de helft van de medewerkers (48%) reeds over de vaardigheden beschikken die naar verwachting in 2030 nodig zullen zijn. Qua beloningsverhoudingen in het doorsnee Nederlandse bedrijf verdient de best betaalde persoon driemaal zo veel als een gemiddelde werknemer. Tenslotte blijkt dat het innovatievermogen van Nederlandse bedrijven op een vergelijkbaar niveau is als vorig jaar, hetgeen ook betekent dat het aantal radicaal nieuwe product- en dienstinnovaties op een aanzienlijk hoog niveau is gebleven.

Share.

Reageer

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.