De Nederlandse voedingsmiddelenindustrie krijgt opnieuw te maken met oplopende kosten voor grondstoffen, energie, transport en arbeid. Tegelijkertijd wordt het lastiger die stijgingen volledig door te berekenen aan retailers. ABN AMRO verwacht daarom dat de marges van voedingsproducenten eind 2026 en in 2027 verder onder druk komen te staan.
De voedselprijzen in de supermarkt zijn na de sterke inflatie van enkele jaren geleden op een hoger niveau gestabiliseerd. Nieuwe kostenstijgingen dienen zich echter alweer aan. Volgens een analyse van ABN AMRO neemt de opwaartse druk zowel bij agrarische grondstoffen als bij energie, logistiek, verpakkingen en arbeid toe.
Agrarische grondstoffen zijn goed voor ongeveer 40 procent van de productiekosten van voeding in de Europese Unie. De overige 60 procent zit onder meer in energie, transport, verpakkingen en arbeid. Juist die combinatie maakt de voedingsmiddelenindustrie momenteel kwetsbaar.
Weersextremen raken grondstoffen
De voedselprijsindex van de FAO is in de eerste acht maanden van 2026 met 7 procent gestegen. Hitte en droogte in Europa en de Verenigde Staten hebben de verwachtingen voor verschillende oogsten verslechterd. Europese prognoses voor zomergewassen zijn gemiddeld 7 procent naar beneden bijgesteld ten opzichte van het vijfjaarsgemiddelde.
Ook een mogelijke sterke El Niño eind 2026 kan de beschikbaarheid en prijzen van onder meer koffie, cacao, suiker, rijst, maïs, tarwe en plantaardige oliën beïnvloeden. Vooral suiker valt volgens de bank op: de FAO-suikerprijsindex steeg in augustus met 12 procent.
Daar staat tegenover dat de wereldwijde voorraden van onder meer granen, tarwe en rijst relatief ruim zijn. Bovendien kopen voedingsproducenten veel grondstoffen via langerlopende contracten in. Daardoor komen prijsstijgingen op internationale markten meestal met vertraging in de kostprijs terecht.
Afhankelijkheid van aardgas blijft kwetsbaarheid
Voor industriële voedingsproducenten zit een belangrijk risico bij energie. Volgens ABN AMRO bestaat circa 70 procent van de energiemix van de sector nog uit aardgas. Bedrijven die hun energieprijzen voor langere tijd hebben vastgelegd, zijn op korte termijn gedeeltelijk beschermd. Wanneer die contracten aflopen, kunnen hogere energieprijzen echter alsnog rechtstreeks in de productiekosten terechtkomen.
Ook indirect stijgen de kosten. Hogere energie- en brandstofprijzen werken door in transport en verpakkingen. Daarnaast liepen de kosten van de Europese binnenvaart op door de lage waterstanden in onder meer de Rijn en Donau.
Arbeid vormt eveneens een stevige kostenpost. Ongeveer 15 procent van de productiekosten in de voedingsindustrie bestaat uit arbeidskosten. In Nederland stegen de cao-lonen in de voedingsmiddelensector in het tweede kwartaal van 2026 met 4 procent op jaarbasis.
Strijd om doorberekenen kosten
Voor voedingsproducenten wordt daarmee vooral de vraag hoeveel van de hogere kosten kan worden doorgegeven aan de volgende schakel in de keten. ABN AMRO verwacht dat de onderhandelingen tussen producenten en retailers verder zullen verharden. Supermarkten zijn terughoudend om nieuwe prijsstijgingen volledig bij consumenten neer te leggen, mede omdat de eerdere inflatiegolf nog vers in het geheugen ligt.
Producenten komen daardoor tussen stijgende productiekosten en prijsdruk vanuit de retail te zitten. Wie onvoldoende mogelijkheden heeft om kosten te verlagen, productieprocessen efficiënter te maken of prijsstijgingen door te berekenen, ziet de marge teruglopen.
ABN AMRO verwacht dat de voedingsinflatie eind 2026 en in 2027 weer zal oplopen. Voor de voedingsmiddelenindustrie betekent dat opnieuw een periode waarin inkoopstrategie, energie-efficiëntie, productiviteit en de onderhandelingspositie in de keten bepalend worden voor de weerbaarheid van bedrijven.