In de hightech maakindustrie gaat het gesprek steeds vaker over de defensiesector. Door de ontwikkelingen in de wereld is de urgentie erg hoog en groeit het budget, waardoor steeds meer bedrijven de markt verkennen als mogelijk nieuw werkterrein. Tegelijk werkt de defensie-industrie fundamenteel anders dan de civiele maakindustrie, waarschuwt Hans Huigen van de stichting Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV): ‘Maar veel van de technische problemen die er spelen, spelen civiel net zo hard.’
‘Een belangrijk verschil ten opzichte van vrijwel alle andere sectoren is dat er in de defensie-industrie uiteindelijk maar één koper is: de overheid’, opent NIDV-directeur Hans Huigen zijn betoog. ‘Voor de Nederlandse defensie-industrie betekent dat bijna automatisch dat je ook internationaal moet kijken. Want alleen werken voor de Nederlandse overheid is te beperkt. Het is geen gewone markt zoals voor bijvoorbeeld een fietsenwinkel. Als je daar voor een klant niet de juiste fiets hebt, komt er wel weer een ander. Maar als er maar één koper is, en je hebt niet wat hij wil hebben, wat doe je dan? Het gevolg is dat die ene koper in belangrijke mate de markt bepaalt. Om je afzetmarkt te vergroten is het daarom belangrijk om in nationale en internationale ketens actief te zijn.’
Investeren in de Nederlandse defensiemarkt betekent dus investeren in één opdrachtgever, inclusief publieke spelregels en politieke besluitvorming, die toetreden lastig kunnen maken. Defensie werkt bovendien grotendeels via openbare aanbestedingen, waarbij er op dit moment grote waarde wordt gehecht aan korte levertijden. Huigen: ‘Zeker als je van buiten deze sector komt, zijn dit intensieve trajecten. Want als Defensie, na veel interne processen en vergaderingen, eenmaal die aanbesteding de deur uit doet, is de reactietijd vaak kort. Als je dan nog moet starten met ontwerpen, calculeren en plannen, wordt dat een behoorlijke uitdaging, nog los van de vraag of je aan alle gestelde specificaties kunt voldoen.’
Het slagveld van de toekomst
Daar komt bij dat Defensie anders zal gaan redeneren over de uitvraag. Het zal meer in de richting gaan van: welk effect wil ik creëren? Huigen: ‘Het is heel lastig om te bepalen wat in de toekomst nou precies gewenst en nodig is. Voor de krijgsmacht draait het om concepts of operations: hoe gaat het toekomstige slagveld eruit zien, op land, op zee, in de lucht, in space, met autonome systemen en nieuwe dreigingen? Daarna stellen ze de vraag: ‘wat is er dan nu nodig, gegeven de lead times die je hebt als het gaat om het aanschaffen van die spullen?’’
Die onduidelijkheid schuift direct door naar productstrategie en R&D. Bedrijven moeten beslissen of ze investeren in technologie waarvan ze vermoeden dat Defensie daar later om vraagt, zonder zekerheid dat die vraag concreet wordt. Tegelijk klinkt vanuit Defensie de boodschap dat uitstel geen optie is. Huigen: ‘Dat wringt wel een beetje, want je kunt niet wachten totdat alles duidelijk is; dan ben je te laat. Dat geldt voor zowel Defensie als voor de bedrijven.’
Snelheid geboden
Daarbovenop komen gemengde signalen. Alle krijgsmachten willen technologische voorsprong en sturen tegelijk op snelheid van leveren. ‘De vraag aan de industrie is vooral snel systemen opleveren, want de druk is hoog. Er is lang niet altijd tijd voor lange ontwikkelprocessen.’ De focus ligt momenteel vooral op bewezen en bestaande systemen. ‘De krijgsmacht moet immers heel snel klaar staan voor het gevecht, heeft daar nu het geld voor en wil en moet dus snel inkopen.’
Voor hightechbedrijven voelt dat wellicht wat ongemakkelijk. De reflex om altijd door te engineeren, sluit niet automatisch aan bij een markt waarin robuustheid, beschikbaarheid en kosten zwaar meewegen. Dat laatste is heel belangrijk. ‘Je wilt immers niet dat je een dure F-35 nodig hebt om drones uit de lucht te schieten die je voor een paar duizend euro aan de lopende band kunt maken’, aldus Huigen. ‘In die zin is het ook een economisch gevecht. Wat zijn de technieken om zo kostenefficiënt mogelijk te kunnen opereren?’
Twee aparte potjes
De frictie bestaat ook bij innovatie. De innovatiebudgetten staan namelijk vaak los van de inkoopbudgetten voor materieel. Huigen: ‘Als er uit een gezamenlijk ontwikkeltraject iets komt wat Defensie wil hebben, dan wil dat niet automatisch zeggen dat er ook een productieorder volgt. Vanuit defensieoptiek en de manier waarop we de overheidsfinanciën hebben ingericht, is er veel voor te zeggen dat het zo werkt. Maar voor bedrijven werkt dit een stuk minder goed. Het zou helpen als de partijen elkaar beter gaan begrijpen en gaan kijken waar de ruimte wel ligt.’
‘Je kunt niet wachten totdat alles duidelijk is; dan ben je te laat’
Daarnaast spelen ook praktische drempels. De defensiewereld kent extra eisen rond security, compliance, certificering en traceability. Huigen: ‘Deze sector kent veel kwaliteits- en veiligheidseisen. Om een voorbeeld te geven: ik hoorde recent dat als je voor Defensie pantserstaal wilt lassen, je elke las apart moet fotograferen, want elke las moet herleidbaar zijn.’
Dual use
Ondanks al die drempels en uitdagingen ziet Huigen absoluut een match tussen hightech en de defensie-industrie. ‘Dat begint bij dual use. Het is weliswaar oorlogsmaterieel, maar veel van de problemen in de techniek die daar spelen, spelen civiel net zo hard. Denk aan efficiency in productie, beschikbaarheid van grondstoffen en halffabricaten, vermindering van de strategische afhankelijkheid, interoperabiliteit, redundantie, interferentie, onderhoud. De context is weliswaar anders, de randvoorwaarden ook, maar de kern van de technologie sluit vaak aan.’
Een tweede sleutel zit in het verbinden van innovatie en inkoop. Huigen ziet beweging ontstaan dat die potjes worden gekoppeld. ‘Dat gebeurt op twee manieren’, zegt hij. ‘Soms wordt vanuit inkoop een opdracht aanbesteed die zowel r&d als productie bevat. Dan wordt er in een iteratief proces met duidelijke mijlpalen ontwikkeld, maar wel met de garantie dat het – bij succes – ook tot productie gaat leiden. Andersom zie ik ook steeds vaker innovatieprojecten waar aan de voorkant wél afspraken worden gemaakt over productie en levering.’
Voortzettingsvermogen
Huigen pleit voor een realistische instaproute. Opstartende bedrijven in de defensie-industrie doen er verstandig aan om niet rechtstreeks op het ministerie te mikken, maar om zich aan te sluiten via de keten, stelt hij. ‘Gevestigde OEM’s en tier 1’s in de sector weten heel goed waar de behoefte ligt en welke problemen spelen. Als je met die partijen in contact bent, kun je goed bepalen waar de kansen voor jouw technologie liggen.’ NIVD profileert zichzelf als matchmaker in dat spel. ‘Je moet als bedrijf op de uitvraaglijstjes komen te staan van die OEM’s of tier 1’s. Maar dat gebeurt niet zomaar of op basis van een gesprekje op een beurs. Nee, je zult je echt moeten verdiepen in het bedrijf en de kwaliteitseisen die worden gesteld.’
Huigen benadrukt dat het niet alleen om nieuwe systemen en technologieën gaat. ‘Minstens zo relevant is wat ze in defensietermen het voortzettingsvermogen noemen’, legt hij uit. ‘Want het is heel leuk als er een mooi nieuw systeem in het veld staat, maar als het kapot gaat, hoe snel kan het dan worden gerepareerd? We zijn goed in technieken en methodes voor onderhoud, reparaties en revisies, dus daar zullen allerlei bedrijven hun niche vinden.’
Vrede
Misschien wel de lastigste vraag is productiecapaciteit. Defensie wil dat de industrie klaarstaat om gelijk op te schalen naar grote aantallen als dat nodig is. Huigen: ‘Wie betaalt er voor het beschikbaar houden van die capaciteit en hoe ontwikkel je dan door? Dat spel en die afstemming vereisen een andere industriepolitiek en andere regierol van de overheid.’
Hoe krijgen we die twee werelden structureel dichter bij elkaar? ‘Je kunt niet van de krijgsmacht verwachten dat ze vooraf tot achter de komma kan definiëren wat er over vijf of tien jaar nodig is. Tegelijk zullen bedrijven niet op eigen houtje investeren in capaciteit en technologie zonder enig zicht op afzet.’ Dat gesprek moet dus veel eerder plaatsvinden, in gezamenlijke trajecten waarin roadmap, financiering en productie vanaf het begin samen worden gebracht’, aldus Huigen. Hij beklemtoont waarom dat cruciaal is: ‘Wie vrede wil, moet zich voorbereiden op oorlog. En dat doe je met een industrie die in staat is om snel te kunnen schakelen. Want zonder sterke defensie-industrie, geen afschrikking.’
