In het straatbeeld zijn drones redelijk zeldzaam, maar in de praktijk worden ze al volop gebruikt voor onder meer inspectie, beveiliging en onderhoud. Voor Nederland ligt daar een kans: met een sterke basis in robotica, productie en design kan het een rol pakken in de ontwikkeling en bouw van drones.

Hoe staat het nu met drones?
Drones horen bij die technologieën waarvan iedereen dacht dat ze inmiddels overal zouden zijn. In de praktijk blijft het vaak stil als je omhoog kijkt. Maar achter de schermen gebeurt er veel. Op industrieterreinen, bij inspecties, in de landbouw en bij hulpdiensten worden dagelijks drones ingezet. ‘De meeste mensen onderschatten hoeveel drones er nu al worden gebruikt’, zegt Yuri Steinbuch, chief business officer bij robot- en dronespecialist Avular. ‘Marktleider DJI verkoopt ongeveer 5 miljoen drones per jaar, waarvan een miljoen b2b.’
De grote belofte van een paar jaar geleden is nog niet uitgekomen. ‘Ik geloof ook niet in de hype dat straks alle boodschappen door de lucht worden bezorgd, dat is totaal niet energie-efficiënt’, zegt Steinbuch. Maar drones ontwikkelen zich wel degelijk en voegen steeds vaker waarde toe. ‘Het is al lang geen speelgoed meer. Ze gaan een onmisbaar onderdeel van de samenleving worden’, stelt Abeje Mersha, professor Smart Mechatronics and Robotics aan de Saxion-hogeschool. ‘Zijn we al zover? Nee. Is er vooruitgang? Ja, ongetwijfeld. Maar het gaat langzaam.’
Van kijken naar handelen
Drones worden op dit moment veel ingezet voor inspectietaken. ‘Een bedrijf als Shell heeft wereldwijd duizenden dronepiloten in dienst’, vertelt Steinbuch. ‘Die inspecteren de assets op plekken waar je zonder drone moeilijk bij komt.’ Ook bruggen, windturbines en industriële installaties worden met drones onderzocht. ‘In plaats van een week een steiger opbouwen, een dag inspecteren en alles weer afbreken, ben je met één persoon en een drone in een dag klaar’, schetst Steinbuch. De politie en brandweer sturen ook regelmatig een drone de lucht in om onoverzichtelijke situaties snel in kaart te brengen. ‘En in de beveiliging ligt een duidelijke businesscase want ongeveer de helft van alle alarmen is vals. Als je eerst een drone naar zo’n melding stuurt, scheelt dat veel tijd.’

‘Als je niet voor drones kiest, ga je verliezen’
Het dronegebruik groeit, maar een groot deel zit nog in de onderzoeksfase. ‘We doen bijvoorbeeld ontwikkelprojecten in de intralogistiek om grote magazijnen te scannen. Dat is saai, gevaarlijk en tijdrovend werk. Een drone kan daar een oplossing zijn’, aldus Mersha. Steinbuch vult aan: ‘Fabrieken willen hun productielijn van alle kanten in de gaten houden. Dan kun je wel overal camera’s ophangen, maar één zo’n camera is bijna net zo duur als een drone. Indoorinspectie met drones gaan we veel vaker zien.’
Steinbuch en Mersha zien een drone ook als een vliegende hand. ‘Schoonmaken, verven, bouten aandraaien met drones, dat gaat allemaal komen, maar het is nu nog proof-of-concept’, aldus Steinbuch. Mersha geeft een voorbeeld: ‘Onlangs hebben we een succesvolle test gedaan in de Eemshaven waarbij een drone fysiek contact maakte met een windmolenblad.’ Tegelijk worden drones slimmer. ‘Door AI toe te voegen maak je een nog grotere stap. Een drone kan dan zelfstandig bijvoorbeeld roestplekken detecteren of een gaslek lokaliseren. En daarna handelen’, zegt Steinbuch.
Regels vertragen
Technisch is het uitdagend, maar dat verklaart volgens Mersha niet waarom drones zich zo geleidelijk verspreiden. ‘Het gaat niet alleen over de technologie maar ook over de inpassing in bestaande organisaties en workflows. En wie gaat ermee werken? Maar ook: kunnen we het bewijs dat een drone verzamelt gebruiken in de rechtbank? Als je het niet holistisch bekijkt, heb je wel goede technologie, maar duurt het jaren voordat die wordt geaccepteerd.’
Daar komt de wet- en regelgeving bovenop, stelt Steinbuch. ‘In Nederland en Europa zijn we daar vrij streng in. Buiten line of sight mag je maar heel beperkt vliegen. Elders in de wereld is dat anders. Aan de ene kant betekent dit dat het hier op een meer verantwoorde manier gebeurt. Aan de andere kant is het een stuk lastiger om snel kennis op te bouwen. In China kun je je Starbucks-koffie met een drone laten bezorgen. Los van de vraag of dat een nuttig businessmodel is, leer je daar ontzettend veel van.’
Mersha stoort zich aan de remmende werking van de regelgeving. ‘Je moet zaken goed regelen, maar als je impact wilt maken, dan moet je ook risico durven nemen. De default reactie is nu: “Dit is onbekend terrein, dus laten we het maar verbieden.” Maar je kunt als droneontwikkelaar niet alles van tevoren voorspellen en ondervangen, je moet oefenen, fouten maken, leren en aanpassingen doen.’ Vanuit Europa ziet hij het de laatste jaren wat verbeteren, bijvoorbeeld vanuit de European Union Aviation Safety Agency (EASA). ‘Het is een goede ontwikkeling, maar het gaat te langzaam.’
Versnippering
De trage adoptie van drones zegt volgens Mersha weinig over het potentieel voor de Nederlandse industrie. ‘We hebben alle ingrediënten in huis om het een succes te maken’, zegt hij. ‘Maar we moeten wel keuzes maken. Niet een beetje van alles doen, maar durven kiezen. Nu is de sector nog te versnipperd; iedereen werkt met oogkleppen op in plaats van synergie te creëren. Want je kunt prima samenwerken aan een gedeeld droneplatform, met unieke end-effectors voor verschillende toepassingen.’

Steinbuch ziet die kansen ook: ‘We hebben in Nederland een unieke combinatie van roboticakennis, productieknowhow en expertise in design en mens-machine-interactie. En Europa heeft nog geen serieuze dronespeler die het wereldwijd goed doet. We hebben vooral integratoren die onderdelen inkopen en in elkaar zetten.’
Europa’s DJI
Dat DJI zo’n 80 procent marktaandeel heeft, maakt drones onderdeel van het geopolitieke speelveld. ‘De Chinezen maken kwalitatief goede drones, maar er zijn wel vragen over de dataveiligheid’, zegt Mersha. ‘En omdat de VS de tweede grootste droneleverancier is, is Europa kwetsbaar. Bij Saxion loopt nu een project waarin we met Defensie de droneketen in kaart brengen. We hoeven niet alles zelf te doen, maar we moeten wel robuuste alternatieven hebben, een back-upplan voor als Trump of Xi ineens stop zegt.’
‘De roep om een Europese DJI is groot’, weet ook Steinbuch. ‘De Zweedse politie heeft bijvoorbeeld een tender uitgeschreven met een verbod op Chinese drones. Daar kwam niet een goede reactie op. Daar zie ik een grote kans voor Nederland. China zit bovendien op een innovatieplateau. Er komen nauwelijks nog baanbrekende ontwikkelingen bij. Dat geeft ons de kans onze achterstand in te halen.’ Dat vraagt volgens hem wel om een ander investeringsklimaat. ‘De afgelopen zes jaar kwam 74 procent van alle investeringen in robots en drones uit China, 21 procent uit de VS en slechts 3 procent uit heel Europa. Natuurlijk loop je dan achter. Dus daar hebben we nog een grote inhaalslag te maken.’ Steinbuch is ambitieus: ‘Avular kan de Europese DJI worden, we hebben daarvoor alles in huis. We ontwikkelen als een van de weinigen in Europa ons eigen besturingssysteem, onze eigen drivers en onze eigen elektronica. Met de kennis in de regio kunnen we toewerken naar een lights-out dronefabriek.’
Kiezen of achterblijven
De vraag is volgens beiden niet of drones doorbreken, maar hoe en wanneer. Volgens Mersha ligt de sleutel in consistent beleid. ‘We moeten niet alleen investeren als er oorlog is’, zegt hij. ‘Door Oekraïne is er ineens veel aandacht en geld. Maar als het straks vrede is, zakt dat dan weer weg? Dat werkt natuurlijk niet.’ Volgens hem begint het bij een sterke civiele basis. ‘Als je een goede civiele infrastructuur hebt waarin drones worden gebruikt voor inspectie, veiligheid en landbouw, dan kun je in tijden van crisis snel opschalen.’
Steinbuch zegt: ‘We moeten niet doen alsof iedereen straks dagelijks met een drone te maken krijgt, maar we moeten ook zeker niet bagatelliseren dat er nu al miljarden worden bespaard met drones.’ Voor Mersha is het heel duidelijk: ‘Als je niet voor drones kiest, ga je verliezen. We zijn nog niet waar we willen zijn, maar we kunnen het ons niet veroorloven om te blijven wachten.’