Nederlandse boeren en tuinders zagen hun opbrengsten in het eerste kwartaal van 2026 fors teruglopen. Volgens nieuwe cijfers van het CBS lagen de afzetprijzen gemiddeld 10,2 procent lager dan een jaar eerder. Hoewel ook de inkoopkosten daalden, bleef die afname beperkt tot 3,5 procent, waardoor de marges onder druk kwamen te staan.

De grootste klap viel bij aardappeltelers. De prijzen van consumptie-, poot- en zetmeelaardappelen lagen bijna 40 procent lager dan een jaar eerder. Voor consumptieaardappelen liep de prijsdaling zelfs op tot ruim 62 procent. Ook producenten van melk en eieren zagen hun opbrengsten teruglopen; de prijzen van dierlijke producten daalden gemiddeld met 21,1 procent.
Niet alle sectoren kregen met lagere opbrengsten te maken. Voor handelsgewassen, zoals suikerbieten en oliehoudende zaden die worden gebruikt als grondstof voor industriële processen, stegen de prijzen met 11,8 procent. Ook verse groenten brachten gemiddeld meer op (+5,4 procent), al waren de verschillen binnen deze productgroep groot.
Aan de kostenkant profiteerden agrariërs van lagere energieprijzen. Energie en smeermiddelen waren gemiddeld 14,2 procent goedkoper dan een jaar eerder. Daar stond tegenover dat onder meer meststoffen en grondverbeteraars juist duurder werden (+7,7 procent), evenals onderhoud van machines (+4,9 procent).
De cijfers illustreren hoe kwetsbaar de sector blijft voor prijsschommelingen in zowel afzetmarkten als toeleveringsketens. Voor de Nederlandse agrofoodsector en de daaraan verbonden maakindustrie – van machinebouwers tot verwerkende industrie – blijven productiviteit, kostenefficiëntie en innovatie cruciaal om concurrerend te blijven in een volatiele markt.
De gegevens zijn afkomstig uit de Landbouwprijsindex van het CBS, die sinds 2025 wordt gebruikt om de prijsontwikkeling van landbouwproducten en productiemiddelen in kaart te brengen.
